Mali kent vele uitdagingen

Vanuit idealisme vertrok het echtpaar Anco en Ewien van Bergeijk naar Mali. Om ontwikkelingswerk te doen. Inmiddels wonen ze zeven jaar in het Afrikaanse land, en hebben ze al heel wat projecten succesvol afgerond. ‘De grond was van geblakerde klei, door de zon gebakken. Nu wordt er jaarlijks geoogst’

‘In de heetste maanden wordt het 43 graden in de schaduw’

Met niet meer dan een kist en een wasmachine vertrokken Anco en Ewien van Bergeijk zeven jaar geleden richting Mali. “En een waterbed,” vertelt Ewien. “Die kun je als klein pakketje meenemen. Bovendien is het vreselijk warm in Mali. In de heetste maanden wordt het 43 graden in de schaduw. Een waterbed blijft lekker koel.”

De aankomst op het vliegveld veroorzaakte een ‘wow’-gevoel. Ewien: “We hadden ons goed voorbereid: we hebben de cultuur bestudeerd, tien maanden in Frankrijk gewoond om de taal goed te leren en we zijn drie weken naar Mali gegaan om het land echt te leren kennen voor we er heen emigreerden. Maar al die theorie en voorzichtige kennismaking heeft niets te maken met hoe het is als je er echt woont.”

Al in zijn jeugd voelde Anco dat hij graag zijn kennis wilde inzetten in landen waar ze minder goed bedeeld waren. Hij werkte in de ICT en had een technische achtergrond, die niet onwelkom zou zijn in ontwikkelingslanden. Toen hij trouwde met Ewien ging het in Nederland slecht met de ICT sector. Dat was de trigger om de daad bij het woord te voegen en het echtpaar besloot te verhuizen naar het Afrikaanse land Mali. “Het was een grote stap,” herinnert Ewien zich. “Alleen al omdat we van een betaalde baan naar vrijwilligerswerk gingen. We leven nu van het geld dat we krijgen van familie, vrienden en de kerk. Daarmee kunnen we onszelf onderhouden. Voor de projecten zoeken we sponsoring bij bedrijven en kerken.”

De eerste drie maanden dat Anco en Ewien in Mali woonden waren zwaar. Het echtpaar had nog geen woning. Anco: “We leefden uit onze koffers. We hadden onze draai nog niet gevonden dus investeerden heel veel tijd in het opdoen van contacten. We hebben een kerk gevonden waar we veel vrienden hebben gemaakt, en ik vond een Malinese man waar ik vriendschap mee sloot. Ik leerde hem over ICT, hij maakte mij wegwijs in het land. Elke dag stapten we in zijn auto en reden rond.”

Anco stortte zich op ontwikkelingsprojecten, Ewien maakte educatieve video’s voor bijvoorbeeld ziekenhuizen. Anco: “We krijgen veel van bedrijven. Zelden gaat het om geld, meestal spullen. Bliksemafleiders voor scholen, zonnepanelen. Onlangs waren we in Nederland om twee containers te laten verschepen, een met een trekker en een grote watertank voor agrarische bewerking, de ander met een dak voor een school, zonnepanelen en een waterpomp. Het zijn giften van duizenden euro’s.”

Een van de mooiste projecten die Anco heeft meegemaakt is een microkrediet dat hij gaf. “Deze man was voorganger in de kerk en heel actief in de samenleving. Hij wilde een stuk grond kopen. Het was geblakerde klei, door de zon gebakken. Hij heeft er een ploeg doorheen getrokken en een irrigatiesysteem aangelegd. Nu heeft hij vijf mensen aan het werk en zoveel oogst dat zijn eigen gezin er van kan eten, hij kan wat weggeven en wat verkopen. En dat met 2500 euro, een paar zonnepanelen en een watertank.”

Hoewel de mooie ervaringen legio aanwezig zijn, is het verblijf in Mali bij tijd en wijle ook zwaar. Drie jaar geleden kreeg Ewien een burn-out. “Als je naar Mali wordt uitgezonden, wordt er eerst een psychologisch toelatingsonderzoek gedaan. Daar kwam bij mij uit dat ik erg gevoelig ben voor armoede en onrecht. Er gaan nu eenmaal mensen dood. Dat vond ik ontzettend moeilijk. Je kunt niet iedereen helpen. Daar komt bij dat Mali een ontzettende mannencultuur is. Mannen praten niet rechtstreeks met vrouwen. Ik ben ook niet Ewien, maar mevrouw Anco. Superirritant. We verhuisden toen ook nog van Bamako, de hoofdstad naar een klein dorpje, Koutiala. In Bamako waren er opgeleide vrouwen waar ik mee omging, in Koutiala waren die er niet. Dat was erg zwaar.”

Ook Anco heeft zijn problemen gekend, hoewel die meer op het fysieke vlak lagen. “Ik ben erg gevoelig voor malaria. Ik gebruikte de eerste jaren geen malariamedicijnen, omdat de enige die ik verdraag, Malerone, veel te duur was. Ik werd twee keer per jaar geveld door malaria. Op een gegeven moment bedacht de verzekering dat de ziekenhuisopnamen zo duur waren, dat ze net zo goed Malerone konden vergoeden. Sindsdien heb ik er geen last meer van.” Ook met voeding is het niet altijd goed gegaan. Ewien: “Het eerste jaar waren we heel strikt: we wilden water drinken dat de bevolking ook dronk. Na een jaar hebben we besloten gefilterd water te gaan drinken, Anco werd te vaak ziek.” Anco en Ewien eten wel hetzelfde als de lokale bevolking. “We hebben iemand in dienst die vijf dagen voor ons kookt. Dat moet wel. Het is zo’n karwei om eten te verzamelen. In ons dorp is geen supermarkt dus je moet alles los in winkeltjes halen. Dat doet onze hulp ’s ochtends, en ’s middags maakt hij het avondeten klaar.”

Of Anco en Ewien altijd in Mali zullen blijven is onzeker. “Mali is een prettig land. De mensen zijn gastvrij en heel trots op het feit dat ze met zoveel verschillende stammen samenleven. De mensen spreken zich uit tegen fanatisme. Wij worden ook niet als blanken behandeld, al blijf je natuurlijk altijd de buitenlander. Het komende jaar blijven we zeker nog in Mali, daarna zien we wel. We willen in elk geval projecten blijven doen. En dat kan op veel plekken.”

Pamela Wilhelmus, Freelance journalist, juli 2011 (In opdracht van Audi Magazine, uiteindelijk niet gepubliceerd)

Translate »